Zoeken

De decentralisatie van de jeugdzorg wordt niet teruggedraaid, maar ‘bijgestuurd en afgemaakt’. Met die woorden probeerde minister De Jonge (VWS) tijdens het debat over de jeugdbegroting zorgen bij gemeenten weg te nemen.

Plannen ter verbetering jeugdstelsel

Maandag debatteerde de Tweede Kamer met ministers De Jonge (VWS) en Dekker (Rechtsbescherming) over de jeugddelen van de begrotingen voor 2020. Aan de orde kwamen onder andere de onlangs gepresenteerde plannen om het jeugdstelsel te verbeteren en het onderzoek naar de jeugd-ggz waarop de minister vorige week had gereageerd.

Nog maar 1, 2 of 3 opdrachtgevers

Gemeenten worden in de plannen van het kabinet gedwongen om meer samen te werken. Minister De Jonge tijdens het debat: “Bij de nadere ordening moeten we erop uitkomen dat instellingen die gespecialiseerde of hooggespecialiseerde vormen van jeugdzorg leveren, niet meer met 30, 40, 50 opdrachtgevers te maken krijgen, maar eigenlijk nog maar met één, twee of drie. Dat is nog net behapbaar.” Dat is een belofte die GGZ Nederland verwelkomt. De Jonge erkende dat er bij de decentralisatie te weinig rekenschap is gegeven van de impact op aanbieders.

Brede steun voor faire tarieven

De stappen die het kabinet wil zetten om faire tarieven voor de jeugdhulp mogelijk te maken, konden op Kamerbrede steun rekenen. Faire tarieven moeten normale afspraken over indexatie bevatten en ruimte bieden voor investeringen in innovatie, zo betoogden minister en Kamerleden. Aanbieders van jeugdhulp moeten met de gehanteerde tarieven een goede werkgever kunnen zijn voor hun medewerkers. De SP vroeg de minister om landelijke tarieven vast te stellen, maar zover wilde de minister niet gaan.

Extra geld

Veel kritiek was er op het incidentele karakter van de extra middelen voor de jeugdhulp. De Jonge erkende in het debat dat er ook na 2021 extra geld bij moet in de jeugdzorg. De vraag hoeveel extra middelen dan precies noodzakelijk zijn, is echter nog niet beantwoord. De minister laat daarvoor in 2020 een onderzoek verrichten. In 2021 moet er een knoop worden doorgehakt over de omvang van de noodzakelijke extra structurele middelen.

Tussentijdse maatregelen
De aangekondigde verbeteringen van het jeugdstelsel vergen aanpassingen aan de Jeugdwet. Een wetswijziging kost echter veel tijd, terwijl de situatie in de jeugdhulp nijpend is. Verschillende fracties wezen daarom op de noodzaak van tussentijdse maatregelen. GGZ Nederland had samen met andere jeugdbranches gepleit voor een convenant om de periode tot inwerkingtreding van een nieuwe wet te overbruggen. Lisa Westerveld (GroenLinks) diende een motie in die de regering verzoekt concrete afspraken te maken met gemeenten en jeugdzorgorganisaties. Op 26 november a.s. stemt de Tweede Kamer over die motie.

Expertisecentra specialistische jeugdhulp

De Kamer omarmde de vorming van expertisecentra voor specialistische jeugdhulp. Minister De Jonge wil starten met twee expertisecentra, maar dat aantal moet gaandeweg uitgroeien tot vijf of zes, gaf hij aan in de Kamer. Verschillende Kamerleden wezen erop dat de aandacht niet alleen op de behandeling van anorexia gericht moet zijn, maar ook op andere vormen van weinig voorkomende, ernstige psychiatrische problematiek. De Jonge deelde die opvatting, maar gaf ook aan vanwege de urgentie te starten met de anorexiazorg en vervolgens te verbreden naar andere hoog-specialistische zorg.

D66: reflectie op jeugd-ggz in Zvw

Vera Bergkamp (D66) vroeg de minister te reflecteren op de positie van de jeugd-ggz in het stelsel. Zij vroeg zich hardop af of de “medische zorg” binnen de jeugd-ggz niet beter af is in de Zorgverzekeringswet. De minister wees dat direct van de hand, onder meer door te verwijzen naar de opvatting van ggz-aanbieders over de situatie van vóór 2015 en het probleem van het aanbrengen van een nieuwe knip als de kaders opnieuw zouden veranderen.

Onafhankelijke Jeugdautoriteit

Joël Voordewind (ChristenUnie) diende samen met vijf andere Kamerleden een motie in om de Jeugdautoriteit onafhankelijk van Rijk en gemeenten te positioneren, met als doel om de Jeugdautoriteit de mogelijkheid te geven in te grijpen in de regio’s waar het evident niet goed gaat. De minister hecht echter aan zijn eindverantwoordelijkheid en vond dat moeilijk verenigbaar met het begrip ‘onafhankelijke positionering’. Ondanks de brede ondertekening ontraadde hij de motie. Volgende week stemt de Tweede Kamer over de motie.