Zoeken

De gezamenlijke jeugdbranches steunen de plannen van de ministers De Jonge en Dekker om de Jeugdwet aan te passen en zo het stelsel beter te laten werken, maar vinden dat er nog wel een schepje bovenop mag. In een brief aan de Tweede Kamer pleiten zij voor hardere afspraken over regionale en bovenregionale samenwerking, eenduidige afspraken rond financiering en verantwoording en een veel stevigere positie voor de Jeugdautoriteit als ‘scheidsrechter’ in het stelsel. Ook maken ze zich zorgen over het abrupt stopzetten van de afspraken over financiering van zorg in coronatijd per 1 juli. De brief gaat ook in op de financiële tekorten bij gemeenten, de zorgen van de Inspectie over kleine aanbieders die niet aan de kwaliteitseisen voldoen en het pleidooi van de jeugdbeschermingsorganisaties voor één landelijk tarief.

Op 23 juni 2020 staat het ‘algemeen overleg Jeugd’ op de agenda van de Tweede Kamer. De afgelopen maanden gingen diverse ingeplande debatten niet door vanwege de coronacrisis, dus is de agenda voor het debat van 23 juni bomvol. Daar bovenop verscheen een week voor het Kamerdebat de uitgebreide brief van De Jonge en Dekker over ‘de voortgang van de acties om de zorg voor jeugd te verbeteren’, met maar liefst 12 bijlagen. De branches Jeugdzorg Nederland, de Nederlandse ggz, VGN en VOBC schrijven dat er nu wel erg weinig tijd is om alle belangrijke onderwerpen te bespreken en vragen de Tweede Kamer de komende tijd contact te blijven houden over de ontwikkelingen.

Tekorten bij gemeenten

De financiële druk op gemeenten en de jeugdhulp en jeugdbescherming blijft groot. De kranten staan vol over de tekorten bij gemeenten. Jeugdhulporganisaties geven aan dat de gesprekken met gemeenten in veel regio’s niet over transformatie en een beter functionerend zorglandschap gaan, maar vooral over het beperken van de tekorten. Daarbij worden regelmatig keuzes gemaakt die de transformatie eerder belemmeren dan bespoedigen. Om te kunnen investeren in personeel (om- en bijscholing, opleiding van nieuwe mensen, innovatie, ruimte voor loonontwikkeling) zijn langjarige afspraken nodig en daar horen structurele middelen en een passende indexatie voor loon- en prijsontwikkeling bij, zo bepleiten de branches.

Regionale en bovenregionale samenwerking

De gezamenlijke branches onderschrijven de noodzaak om op landelijk niveau maatregelen te nemen om het stelsel beter te laten functioneren. Het gaat hierbij niet zozeer om een stelselwijziging, als wel om het alsnog realiseren van enkele landelijke kaders die bij de decentralisatie vergeten zijn. De problematiek is echter zo groot en urgent, dat zij stellen dat er nog wel een schepje bovenop de plannen van de ministers mag. De Norm voor Opdrachtgeverschap van de VNG, waarover op dit moment een ledenraadpleging bij gemeenten loopt, is te vrijblijvend en gaat op een aantal punten niet ver genoeg. De regionale en bovenregionale samenwerking wordt niet bindend genoeg geregeld en regiovisies hebben alleen zin als er ook harde financiële en verantwoordings-afspraken aan gekoppeld zijn. De branches wijzen de Kamerleden ook op hun eerdere 9-puntenplan over een beter werkend stelsel.

Jeugdautoriteit

Ook wat betreft de rol van de Jeugdautoriteit gaan de plannen van de ministers niet ver genoeg. Van het voorkomen van geschillen tot geschilbeslechting en van het toetsen van de regiovisies tot het toezien op de naleving van de regels over faire tarieven: juist omdat je niet alles landelijk wettelijk dicht kunt regelen, is een sterke Jeugdautoriteit met brede bevoegdheden van groot belang. Deze scheidsrechterrol voor de Jeugdautoriteit ontbreekt in de plannen van de ministers.

Klik hier voor de volledige brief van de jeugdbranches aan de Tweede Kamer