Macrocijfers en stelselbeleid
Jeugdwet, jeugdbeleid en jeugd-ggz
Wonen
Kwaliteit en passende zorg
Veiligheid, leefbaarheid, onbegrepen gedrag en Forensische zorg
Arbeidsmartkbeleid, opleidingscapaciteit en arbeidswetgeving
Innovatie, gegevensuitwisseling en digitalisering
Domeinoverstijgende samenwerking
Mentale gezondheid, preventie en verslaving
Duurzaamheid
Domeinoverstijgende samenwerking
Analyse op financieel kader
Samenwerking sociaal domein, huisartsenzorg en ggz
€ 3,7 miljoen is bestemd voor afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), als aanvulling op het IZA. Dit geld is bedoeld om de samenwerking tussen het sociaal domein, huisartsen en de ggz te versterken. Onderdeel hiervan is de ontwikkeling van goed vindbare en betrouwbare eCommunities. Daar kunnen volwassenen met mentale problemen of psychische stoornissen elkaar ontmoeten, betrouwbare informatie vinden en ondersteuning krijgen (VWS, p. 72–73).
Ons standpunt: De Nederlandse ggz vindt het positief dat hiervoor financiering beschikbaar wordt gesteld en dat wordt geïnvesteerd in betere samenwerking tussen zorg en sociaal domein.
Individuele Plaatsing en Steun (IPS)
Het is belangrijk dat er vanaf 2027 een vaste en blijvende regeling komt voor IPS voor de mensen die onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen. In de begroting van het ministerie van SZW staat dat vanaf 2027 wordt gewerkt aan een vaste IPS-regeling. Het geld wordt verdeeld over 2027, 2028 en 2029. Met dit geld worden ook eerdere IPS-trajecten betaald. Omdat geld tussen verschillende jaren wordt verschoven, is het op basis van de begroting lastig om precies te bepalen hoeveel geld beschikbaar is en hoe de financiering er op de lange termijn uitziet.
Het ministerie gaat daarnaast in gesprek met gemeenten en ggz-instellingen. Zij bespreken hoe de regeling eruit moet zien en of de doelgroep voor IPS kan worden uitgebreid.
De IPS-trajecten worden uitgevoerd door ggz-instellingen. Voor mensen met een common mental disorder (CMD) duren de trajecten twee jaar. Voor mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA) duren de trajecten drie jaar. Vanaf 2027 komt het IPS-budget op een ander onderdeel van de SZW-begroting te staan: artikel 2 in plaats van artikel 3 (SZW, p. 67, 78-79 en 90).
Ons standpunt: De Nederlandse ggz ziet dat er vanaf 2027 wordt gewerkt aan een vaste IPS-regeling. Ook wordt gekeken naar een mogelijke uitbreiding van de doelgroep. Voor de Nederlandse ggz is het belangrijk dat bij deze uitbreiding ook aandacht is voor IPS-O. IPS-O is IPS die zich richt op het ondersteunen van mensen met psychische problemen bij het volgen van onderwijs. Daarnaast blijft het belangrijk dat IPS ook op de lange termijn goed wordt geregeld. Daarbij gaat het niet alleen om het voortzetten van IPS voor de huidige doelgroepen. Ook moet worden gekeken of IPS en IPS-O beschikbaar kunnen worden voor een grotere groep mensen met psychische problemen.
Bezuiniging op re-integratie
Vanaf 2028 wordt € 100 miljoen bezuinigd op re-integratie. Dit bedrag staat voorlopig op artikel 3 (arbeidsongeschiktheid). Het kabinet moet nog bepalen hoe de bezuiniging precies wordt ingevuld. Voor Leven Lang Ontwikkelen is extra geld gereserveerd (SZW-begroting, p. 83 en 90).
Ons standpunt: De Nederlandse ggz vraagt de politiek om goed te kijken naar de gevolgen van de bezuiniging op re-integratie voor het voorkomen van uitval en het herstel van mensen. Passend werk kan bijdragen aan herstel en kan de behoefte aan zorg verminderen.
Analyse op beleid
Domeinoverstijgende aanpak
Het kabinet beschrijft de ggz nadrukkelijk als een domeinoverstijgende opgave. Mensen met psychische problemen kunnen hulp krijgen vanuit onder meer de huisarts, gemeenten, de basis-ggz en de gespecialiseerde ggz. De ggz wordt vanuit verschillende domeinen en financieringsstromen geleverd. Daarbij spelen de Wpg, Zvw, Wlz, Wmo, Wvggz, Wzd en Jeugdwet een rol. Hierdoor zijn zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten verantwoordelijk voor verschillende delen van de ondersteuning en zorg (VWS, p. 37).
Tegelijkertijd neemt het aantal mensen met mentale klachten en psychische aandoeningen toe. Dit leidt tot een groter beroep op professionele ondersteuning en zorg. De instroom is groot en de door- en uitstroom stokt. Hierdoor staan de personele, financiële en maatschappelijke houdbaarheid van de ondersteuning en zorg onder druk.
Het kabinet benoemt daarnaast dat een slechte mentale gezondheid ook gevolgen heeft voor andere delen van de samenleving, zoals arbeidsproductiviteit, onderwijsdeelname en -prestaties, arbeidsongeschiktheid, criminaliteit en de druk op de politie. Investeringen in mentale gezondheid kunnen daarmee ook maatschappelijke opbrengsten opleveren (VWS, p. 37).
Mentale Gezondheidsnetwerken
Het is positief dat het kabinet de domeinoverstijgende opgave en de noodzaak van samenwerking tussen verschillende domeinen benoemt. Een concrete verbinding met de landelijke transformatie via de Mentale Gezondheidsnetwerken en de implementatie van de vier bouwstenen ontbreekt echter. Hierdoor blijft onduidelijk hoe het kabinet de beschreven knelpunten in de toegang, doorstroom en samenwerking wil aanpakken.
Herstel en participatie
In de beschrijving van de ggz ligt de nadruk op toegang, kwaliteit, betaalbaarheid en de inrichting van ondersteuning en zorg. Het perspectief op herstel en participatie komt daarbij onvoldoende naar voren. Ook de bijdrage van de ggz aan maatschappelijk functioneren en participatie, bijvoorbeeld via IPS, verdient een duidelijkere plek in de verdere beleidsontwikkeling.
Ons advies aan de politiek
De Nederlandse ggz vindt het positief dat het kabinet de domeinoverstijgende opgave van de ggz en het belang van samenwerking tussen zorg en sociaal domein duidelijk benoemt. De volgende stap is om deze ambitie concreter te maken. De landelijke beweging rond Mentale Gezondheidsnetwerken en de vier bouwstenen moet daarbij nadrukkelijk worden verbonden aan de kabinetsaanpak.
Daarnaast is meer aandacht nodig voor herstel en participatie. De ggz gaat niet alleen over behandeling, maar ook over het ondersteunen van mensen om mee te doen in de samenleving. Dit perspectief moet een duidelijke plek krijgen in de verdere uitwerking van het beleid en de periodieke rapportage.