Spring naar hoofdinhoud
Naar homepage

Leren afleren in de ggz

Publicatiedatum:

Leestijd: 4 minuten

In de ggz zijn we terecht trots op maatwerk. Geen cliënt is hetzelfde en geen hulpvraag past precies in een protocol. In zijn nieuwe blog stelt directeur Jeroen Pepers dat die overtuiging ons ook in de weg zit.

Wat professionals maatwerk noemen, is soms onnodige praktijkvariatie, gebaseerd op professionele individuele voorkeuren of uitstel van moeilijke keuzes. En dat staat niet altijd gelijk aan goede zorg, en verantwoordelijk gebruik van schaarse middelen.

Jeroen Pepers

Directeur de Nederlandse ggz

Sinds de jaren zestig heeft de ggz zich bevrijd van uniforme, stramme regimes. Dat was nodig. De cliënt werd weer mens, met een eigen verhaal, context en netwerk. Maatwerk werd het morele kompas van de sector. Maar langzaam werd het ook een synoniem voor goede zorg, terwijl standaarden, hoewel bewezen, niet meer genoeg werden gevonden.

De realiteit is ongemakkelijk. Wachtlijsten zijn lang, personeel is schaars en de financiële ruimte is beperkt. We kunnen niet blijven doen alsof elke professionele afwijking automatisch goede zorg is. De balans tussen praktijkvariatie en gedeelde, bewezen effectieve werkwijzen moet anders. Dat vraagt om scherpe keuzes en collectief leren.

De comfortabele taal van maatwerk

Behandelaren kennen de richtlijnen en standaarden uiteraard wel en onderschrijven het belang ervan. Toch ontstaat in de praktijk grote variatie, vanuit ervaring, opleiding, voorkeur of teamcultuur. Dat is lang geaccepteerd onder de noemer maatwerk. Maar daarmee maken we het onszelf te gemakkelijk. Maatwerk moet het sluitstuk zijn van goede, passende zorg, niet het vertrekpunt.

Hoe kunnen we daarmee aan de slag? Wie eerlijk kijkt, ziet dat de sector niet alleen moet leren om tot een nieuwe balans te komen tussen standaardaanpak en praktijkvariatie, maar vooral moet afleren. Afleren dat professionele autonomie hetzelfde is als individuele vrijheid. Afleren om een richtlijn of standaard pas effectief te vinden als iedereen zich er goed bij voelt. Afleren dat bij een bewezen, goede praktijk van een collega-zorginstelling, we toch weer zelf een eigen wiel gaan uitvinden binnen ons eigen team.

Dat vraagt ook om het leren accepteren dat richtlijnen en standaarden vastgesteld zijn in een collectief proces. En dat dat kan schuren met individueel vakmanschap en eigen professionele identiteit.

Gepast gebruik vraagt om lef

Laten we eerlijk zijn: de huidige situatie in de ggz benadrukt het belang van ‘gepast gebruik’ als scherpe veranderopgave. Het vraagt dat we stoppen met wat onvoldoende helpt, consequenter toepassen wat bewezen werkt en blijven leren van de praktijk, ook over beroepsgrenzen heen. De moeilijkste beweging daarin, is stoppen met bepaalde werkwijzen. Individueel willen professionals vaak wel, maar werkwijzen zijn gaan horen bij de teamcultuur en beroepstrots. Juist daarom moeten bestuurders, behandelaren en teams het gesprek daarover durven aangaan. Goede zorg vraagt niet alleen ruimte, maar ook scherpere begrenzing, elkaar aanspreken en lef.

Van pilotitis naar dagelijkse passend werken

Collectief leren vergt durf, maar ook intentie. Want vanzelf gebeurt er niets. De ggz is rijk aan waardevolle pilots en programma’s, maar de opbrengsten beklijven maar weinig. Een team werkt tijdelijk anders, een afdeling boekt resultaat, en daarna neemt de druk van alledag het weer over. Of een ander team heeft het verzonnen en daarom willen wij het niet. Dat moet anders. Leren als professional mag niet alleen afhankelijk zijn van individuele motivatie of een enkele beroepsgroep. Het moet georganiseerd worden: in teams, opleidingen, kwaliteitsbeleid en regionale samenwerking. Niet afwachten, maar actief zichtbaar maken wat werkt, en wat niet werkt. En daarvan collectief leren en aanpassen.

Dat is niet alleen een opgave voor individuele behandelaren, maar ook voor professionals over beroeps- en –domeingrenzen heen, en voor zorgorganisaties als geheel. Het vraagt niet alleen om afspraken maken binnen het AZWA/IZA (met daarin wens om te komen tot andere aanspraken, aangescherpte standaarden et cetera) op landelijk niveau maar ook om toepassen in een nieuwe gedeelde werkwijze en cultuur.

Daar hoort ongemak bij. Als bewezen effectieve zorg de norm moet zijn, worden sommige vertrouwde, eigen werkwijzen minder vanzelfsprekend. Dat is geen aanval op professionals, maar juist een erkenning dat hun inzet te kostbaar is om te verspillen aan zorg die onvoldoende toevoegt.

Professioneel leiderschap is kiezen

De ggz kent geen voorspelbare uitkomsten. Het is naast een triade; client, naasten, professional, ook een complex samenspel van organisaties, financiers, regels en verwachtingen. Maar complexiteit mag geen alibi zijn voor stilstand. Collectief leren en gepast gebruik bieden richting.

De echte vraag is dus niet, of we maatwerk willen behouden. Natuurlijk willen we dat. De vraag is, of we bereid zijn maatwerk opnieuw te definiëren: niet als professionele vrijheid vooraf, maar als onderbouwde afwijking van een bewezen norm.

Dat vraagt om leiderschap. Gepast gebruik, triadisch werken en richtlijnontwikkeling moeten één beweging vormen: scherp kiezen, verantwoord stoppen, doen wat werkt en leren van de praktijk. Die beweging en cyclus tot gepast gebruik moeten we met elkaar beetpakken en tot een succes maken. Want dat leidt tot betere zorg en we zetten zo schaarse middelen verantwoord in.