Ronald May
Voormalig coördinator intercultureel management

De ggz is er voor iedereen, ongeacht iemands achtergrond. Maar hoe maak je zorg in de praktijk toegankelijk voor mensen met een andere cultuur? Volgens voormalig coördinator intercultureel management Ronald May zit transcultureel werken in kleine, maar essentiële elementen: oog hebben voor iemands leefwereld, gastvrij zijn en samen met een netwerk zorg dichtbij de cliënt organiseren. Die aanpak is nog niet overal vanzelfsprekend. Waar wringt het, en wat zijn oplossingen?
Ronald May werkte tussen 1985 en 2010 bij de Haagse Riaggs, Parnassia en Altrecht. Geestelijke gezondheidszorg in Nederland is voor niet-westerse cliënten niet altijd toegankelijk, is zijn ervaring. “Naast een taalbarrière is er vaak sprake van onbegrip, zowel bij cliënten als zorgverleners. Cliënten snappen niet altijd waarom de huisarts ze doorstuurt. Ze zoeken hulp, geen gesprek. In hun thuisland staat ggz soms voor ‘het gekkenhuis’. Dat kan zelfs reden zijn om niet op een afspraak te verschijnen; er is schaamte.”
Zorgverleners begrijpen de cliënt niet altijd, merkt May. “Professionals hebben soms onvoldoende kennis van de sociale leefwereld en cultuur van bijvoorbeeld asielzoekers en vluchtelingen. Deze cliënten worstelen vaak al jaren met armoede, discriminatie, afwijzing en racisme. Als je daar weinig van weet en niet doorvraagt, loopt de hulpverlening snel vast.”
Voormalig coördinator intercultureel management

May herinnert zich cases van sombere, soms agressieve Turkse, Marokkaanse en Surinaamse mannen met onbegrepen fysieke klachten. “Hun gedrag was niet zo gek, als je wist dat ze jarenlang zwaar werk deden en zich geen raad wisten met hun perspectiefloze situatie. Vaak liepen ze ook nog tegen vernedering, minachting en intimidatie aan. Maar huisartsen, maatschappelijk werk en ggz begrepen onvoldoende wat er speelde.”
De grootste belemmering voor goede geestelijke gezondheidszorg aan migranten is volgens May het westerse perspectief van zorgbieders. “Onze diagnostiek is gebaseerd op de DSM-5, een systeem dat op onderzoek van mannelijke Amerikaanse psychiaters stoelt. Als je mensen met een niet-westerse cultuur benadert op basis van westerse normen kun je een situatie verkeerd beoordelen.”
Toch kan het anders. May was in de jaren ’80 en ’90 nauw betrokken bij een vernieuwende aanpak. “Als ggz gingen we intensief samenwerken met huisartsen, fysiotherapeuten, maatschappelijk werk, vertrouwenspersonen, verpleegkundigen en andere partijen.” Deze samenwerking zorgde voor een gedeelde verantwoordelijkheid en gezamenlijke kijk op de problematiek. “We deelden kennis en informatie, bespraken casussen en organiseerden bijeenkomsten voor familieleden van cliënten en geestelijke voorgangers. Dat leidde tot meer wederzijds begrip en kortere verwijslijnen.”
Een succesfactor waren de vaste maandelijkse spreekuren bij huisartsen, gezondheidscentra, fysiotherapeuten en maatschappelijk werk. “Die spreekuren zorgden voor meer inzicht en betere behandeling. Vaak lagen er onder de klachten eenvoudige hulpvragen die in de eerste lijn snel beantwoord konden worden.”
Zo kregen mensen met pijnklachten, depressie, diabetes en overgewicht ‘Bewegen op recept’ voorgeschreven. “Groepen vrouwen gingen naar het zwembad en praatten na met de hulpverlener. Mannen deden mee aan looptraining, sporten en korte gesprekken met de therapeut. Dat werkte geweldig.” Het was het begin van wat nu praktijkondersteuning heet: samen snel hulp bieden, zodat verwijzing naar duurdere zorg minder vaak nodig is.
Die gezamenlijke aanpak is ook vandaag relevant. De laatste jaren is de toegankelijkheid van zorg voor mensen met een migratieachtergrond opnieuw afgenomen en heeft interculturalisatiebeleid minder prioriteit gekregen. “Sinds 9/11 worden mensen met een andere achtergrond geacht zich aan te passen aan Nederlandse regels en ggz-standaarden. Die houding leidt tot systematische uitsluiting en onderbehandeling. Maar ieder mens doet ertoe en heeft recht op kwalitatief goede zorg.”
May pleit ervoor dat ggz-organisaties opnieuw intercultureel beleid opstellen. “Dat begint bij de erkenning dat iedereen cultuur heeft en daardoor wordt beïnvloed. Erken ook dat psychische problemen altijd gepaard gaan met maatschappelijke, culturele of fysieke problemen. Dat betekent dat je moet samenwerken.”
Wat toen kon, kan nu ook, stelt May. “Het ideale toekomstperspectief is een meer ambulanter en nabije vorm van hulpverlening door integratie van ggz in de eerste lijn. Bijvoorbeeld in de vorm van een psychiatrisch verpleegkundige die aan de huisartsenpraktijk gekoppeld is. Daarnaast is ‘Education Permanente’ van belang: het stimuleren van kennis, inzicht en vaardigheden op alle niveaus.”

Wat vraagt dit van organisaties, opleidingsinstituten en bestuurders? “Bestuurders moeten zeggen: we gaan voor een gastvrije ontvangst van onze multiculturele cliënten, zonder rigide vast te houden aan standaarden. Organisaties moeten hulpverleners bovendien rugdekking geven. Dus ook in overleg gaan met zorgverzekeraars over diagnostiek, en bijvoorbeeld vertaal- en tolkcentra oprichten.”
Morgen al kunnen hulpverleners besluiten gastvrijer te zijn. “Geef iemand het gevoel dat hij welkom is en verdiep je in de unieke mens die voor je zit. Niet alleen in zijn cultuur, maar ook in zijn sociale omstandigheden. Bied ruimte, een kopje thee, een warme omgeving en vertrouwen.”
Heel praktisch: veel mensen met een migratieachtergrond vinden een neutrale spreekkamer onprettig. “Het kan helpen om herkenbare dingen uit het land van herkomst neer te zetten. Zoals een foto, een kleine koran of een kalebas. Of verwelkom iemand in zijn eigen taal.”
De jonge generatie stemt May hoopvol. “Veel jongeren omarmen verschillende culturen en leven zonder vooroordelen samen. Laten we binnen de ggz vooral voorbij diagnoses, recepten en interventies kijken. Mensen met een migratieachtergrond worden soms nog als ‘lastig’ gezien, maar als je ze beter leert begrijpen, kun je ze sneller helpen. Dat geeft zoveel voldoening.”