Loes Keijsers: Kneedbaar of kwetsbaar?
Hoe kunnen we toekomstige generaties helpen veerkrachtig op te groeien? Gesproken door Prof. Dr. Loes Keijsers op 31 maart 2026
Synopsis.
Elke maatschappij krijgt de psychologische problemen die bij de tijdgeest passen. In deze hypernerveuze maatschappij waar goed niet meer goed genoeg is en alles maakbaar lijkt, zijn depressie en angst logische gevolgen. We lijken het vertrouwen kwijt dat dingen wel goedkomen, dat tijd alle wonden heelt, en dat jongeren tegen een stootje kunnen. Een dynamische kijk op ontwikkeling leert ons dat gedoe de bedoeling is en dat vrije tijd een cruciaal ingrediënt om veerkracht te ontwikkelen. Is het vermijden van risico en het willen oplossen van problemen niet juist het grootste risico van onze tijd?
Kijk eens naar de jongere van nu? Wat zien we dan?
Als u de kranten leest, of het ene naar het andere lijvige beleidsrapport[i], dan is er eigenlijk maar een dominant beeld: Jongeren zijn kwetsbaarder dan ooit. De statistieken stemmen ons droevig. Zo toonde het RIVM in 2024 dat meer dan 40 procent van de 12 tot 18-jarigen last had van angst of depressieve gevoelens in de voorgaande maand[ii].
Zij lijken kwetsbaar. Als een Delfts blauw vaasje. Het leven ziet er, aan de buitenkant, prachtig uit. Maar een klein tikkie is voldoende, een stevige dosis feedback, een afwijzing op sociale media en de barsten schieten erin.
Onze reflex als volwassenen is dan ook volkomen logisch: We willen onze jeugd beschermen, poetsen misschien soms net te vaak de hobbels van het leven weg zodat het vaasje niet struikelt, geven ze een warme donsdeken van ondersteuning en complimenten zodat een eventuele val minder hard aankomt. En zijn er echte barsten, dan brengen we ons kostbare vaasje naar de reparateur; de GGZ. Waar een professional in een klinische omgeving, met de gouden lijm van de psychotherapie, de vaas repareert en feitelijk nog mooier maakt dan voorheen.
Maar klopt dit beeld wel? Zijn onze jongeren kwetsbaarder dan ooit. Ik weet het niet.
Wat als een jongere geen breekbare vaas is, maar eerder een balletje klef en plakkerig brooddeeg?
Getraind als bioloog, zie ik in jongeren geen statisch object dat makkelijk kapot kan gaan en gerepareerd moet worden. Het zijn levende organische systemen. Systemen die je net als een bal deeg moet duwen en trekken, en soms zelfs even hardhandig op het aanrecht moet smijten om de gluten sterk te maken. Zonder deze weerstand van een liefdevolle meesterbakker, of hobbykok, blijft het een slappe, vormloze massa die nooit zal rijzen.
Deze vraag staat vandaag centraal: Zijn onze jongeren kwetsbaar als een porseleinen vaas, of zijn ze extreem kneedbaar hebben ze juist geduw en getrek nodig om te groeien? Waar doen we goed aan als volwassenen, in onze rollen als opvoeder, als professional of medemens? Zou het zo kunnen zijn dat onze goede intenties om jongeren te beschermen en hun problemen op te lossen hen juist kwetsbaar maakt?
Wanneer moeten volwassenen iets herstellen en repareren omdat het kind gebroken is, en wanneer zouden we beter liefdevol toekijken hoe het kind stuitert en weer opstaat, uit eigen kracht?
HET KWETSBARE KIND?
Laten we starten bij de cijfers. Zijn onze jongeren kwetsbaar? Rapport na rapport toont immers dat zelf gerapporteerde klachten toenemen.
Maar is er wel sprake van een toename?
Een mogelijke verklaring kan ook zijn dat er niet echt een toename is in het probleem, maar een betere herkenning. Er wordt wel gesproken van concept-creep[iii]. Waarbij jongeren steeds sneller normaal gedrag labelen als depressie of angst.
Een andere verklaring kan zijn dat onze maatschappelijke normen zijn veranderd. In de keuken van mijn oma hing een tegeltje: Van het concert des levens krijgt niemand het program. Mijn grootouders hoopten op een draaglijk leven, rouwden in stilte en klaagden niet, terwijl ze pijn hadden en grote zorgen. Mijn ouders, geboren in ‘55 werkten hard voor een beter leven, met een volle koelkast, vakanties en vrijheid. Zelf ben ik geboren in 1982. Ik ben opgegroeid met het idee dat je geluk iets is dat je na kan streven. Niets voor niets het tijdperk van de happy hardcore.
Happy lijkt niet meer genoeg. Tegenwoordig lijkt de lat voor jongeren nog hoger te liggen: Perfectie is het streven. Een goed diploma (of twee), een indrukwekkende insta account met plaatjes van je reis naar Bali en een afgetraind lijf, liefst beiden. In dertig jaar hebben mensen steeds vaker het gevoel gekregen dat er alleen van hen wordt gehouden als ze perfect zijn. Maar als de norm verschuift naar boven, en de gemiddelde jongere een over een onrealistisch hoge lat denkt te moeten springen, dan is het logisch dat er steeds meer jongeren afwijken, of het gevoel hebben dat zij dat doen. Omdat het niet lukt. Omdat ze niet gelukkig zijn. Omdat hun lichaam niet perfect is. En omdat ze geen fantastische ouders hebben.
DE KANARIE IN DE KOLENMIJN
Wat de interpretatie van deze cijfers ook is, laten we niet in de valkuil trappen om te denken dat er iets mis is met onze jongeren. Zelfs als huidige jongeren zo kwetsbaar zouden zijn als een Delfts blauw vaasje. Geen vaasje valt kapot in een donzen deken. Ik wil dan ook niet de aandacht vestigen op wat er aan de hand is met onze jeugd, ik wil samen kijken naar wat er aan de hand is met onze maatschappij.
Onze maatschappij die voor velen, jong en oud, voelt als een hypernerveuze plek [iv], als een harde betonvloer, of op zijn best een gladde ijsbaan. Is het dan niet logisch dat als de omgeving glad is, en niet mee veert, het kind onderuit gaat.
Is het niet zo dat onze maatschappij tot op zekere hoogte giftig is voor het opgroeiende kind? Is hun stress niet juist een belangrijk signaal dat er iets mis is met onze maatschappij?
Jongeren zijn extra gevoelig voor onrecht en omgevingsinvloeden, en zijn als kanaries in een kolenmijn. Als de vogel stopt met zingen, dan lijkt misschien een logische eerste reflex om het zielige beestje te reanimeren en weer op de stok te krijgen. Maar misschien is de vogel niet ziek. Misschien is de vogel, onze jeugd, de eerste die opmerkt dat de lucht in de mijn giftig is. In dat geval moeten we natuurlijk niet de kanarie beademen, maar de kolenmijn eens flink doorluchten.
Kijken we naar jongeren als breekbare, Delfts blauwe vaasjes dan is onze reflex logisch: we willen het kind lijmen, en een maatschappij bouwen waarbij de grond bedekt met zachte kussens om de val te breken. Maar kijken we net even iets langer, dan moeten we ons afvragen of onze maatschappij wel zo puber-vriendelijk is, of wat we hen bieden wel is wat ze nodig hebben om te ontwikkelen. Het antwoord op die vraag hangt af van ons mensbeeld.
KNEEDBARE MENS
Laten we daar dus mee starten. Zijn kinderen kwetsbaar als porselein? Getraind als bioloog, zie ik iets heel anders. De natuur heeft de adolescent niet ontworpen om te breken, maar om te botsen.
De ontwikkeling van de mens is een wonder. Evolutionair gezien is een puber een ongelooflijke superheld met unieke krachten waar we als volwassenen alleen maar jaloers van kunnen worden. Ze zijn gebouwd om de wereld te verkennen, risico’s te nemen en, ja, keihard te vallen, erom te lachen, en weer zonder botbreuken op te staan.
De natuur heeft daar prachtige trucjes voor bedacht om die drang tot risico nemen in goede banen te leiden. In geen enkele andere fase van je leven is je kraakbeen zo veerkrachtig, je immuunsysteem zo alert en je reactiesnelheid zo scherp. Jongeren kunnen stuiteren zonder een been te breken, naar buiten zonder jas en geen infectie oplopen, en zelfs zonder slaap nog redelijk alert voor de dag komen. Goede basis dus om juist in deze levensfase de wereld te ontdekken en domme dingen te doen.
Jongeren kunnen fysiek juist heel goed tegen een stootje.
En wij als volwassenen, professionals, en opvoeders geloven dat meteen als het om hun fysieke groei gaat. We laten ze vrijwel ongetraind bij de gymles een handstand op de kast maken, drillen ze tot ademnood bij een coopertest, en sturen ze als 30 wilde honden met hockeysticks de gymzaal in. Natuurlijk geven we ze wel enige bescherming. We laten geen kind turnen, meteen op de harde vloer. We vangen ze liefdevol op in een opvangbak, van piepschuim. Lekker veel lucht. Dan land je zacht.
Als volwassenen staan we erbij, kijken er naar en vertrouwen het proces. We geloven in hun speciale stuiter-kracht in deze levensfase. Want hoe we omgaan met jongeren, zouden we natuurlijk nooit doen bij volwassenen. Die lukt het, bij gebrek aan voldoende kraakbeen, nog om een been te breken in een ballenbak, maar dat terzijde.
Fysiek zijn jongeren zijn van nature veerkrachtig en ze ontwikkelen juist door frustratie en pijn. Ze moeten af en toe naar adem happen om conditie op te bouwen, spierpijn hoort erbij en is niet het einde van de wereld, laat staan meteen een blessure. Sterker nog, hier begint de echte magie: Je werkt je in het zweet, wacht een paar dagen, en als een wonder: je pijn en lijden wordt door de natuur omgezet in een spierbal. Goede deal.
Dat is het wonder van de puberende natuur. Een vaasje is fragiel en gaat kapot als je er te hard op duwt, staal is robuust en weerbaar, maar de mens is antifragiel, zeker als je midden in de puberteit zit. De menselijke natuur herstelt niet alleen van stress op miraculeuze manier, we worden er beter van! Je hebt pijn en gedoe, maar de natuur geeft je kracht en vermogen voor terug. Jongeren in de ontwikkeling zijn wat dat betreft dus net als een brooddeeg dat juist ontwikkelt als je eraan duwt en trekt.
EMOTIONELE VEERKRACHT
Jongeren worden niet alleen fysiek volwassen. Ook emotioneel en sociaal maken ze een groeispurt door. Tijdens de vormende adolescentiefase leren jongeren alles dat nodig is om als volwassenen te kunnen functioneren in de maatschappij, een baan te hebben, kinderen groot te brengen, en een relatie te onderhouden, terwijl ze net daarvoor nog niet eens op tijd uit hun bed konden komen om naar school te gaan (of deden ze maar alsof)? Het is een klein wonder der natuur hoe ze emotioneel een sociaal transformeren in een paar jaar tijd.
Maar ook dit gaat niet zonder slag of sloot.
Mensen in het algemeen, en jongeren in het bijzonder, zijn namelijk niet makkelijk te bewegen tot nieuw gedrag als er geen noodzaak is. Ook hier heeft de natuur weer evolutionair uitgepakt met een fantastisch ondersteunend systeem: Een flinke dosis negatieve emoties. Iedereen die met pubers samenleeft of werkt weet dat er emotioneel best veel gebeurt zo in de puberjaren.
Maar dat is dus heel erg functioneel. Verveling drijft je je bed uit. Eenzaamheid maakt dat je contact zoeken met nieuwe vrienden en over een drempel gaat van sociale angst. Conflicten met ouders zijn gedoe en vervelend, maar juist een drijvende kracht voor autonomie op lange termijn, omdat het ouders dwingt (met rollende ogen) een stapje terug te doen en ruimte te geven.
Het is dus voor de eigen ontwikkeling nódig dat pubers zich slecht te voelen, anders gezegd. Zonder negatieve emoties en een flinke dosis gedoe word je niet volwassen. Volwassenheid, daar ga je niet naar op zoek uit eigen beweging, maar omdat het emotioneel niet te harden is om dat niet te doen, om je vrienden niet te zien, om thuis te blijven en om niks te leren.
Hoe fijn zou het zijn als ze van de een op de andere dag zouden wisselen, van 'schattig kind' naar 'productieve volwassene', zonder de ruis die daartussen zit. Alsof het tanden zijn die je kan wisselen. Was het maar zo eenvoudig. De puberende natuur is druk en luidruchtig en heeft er vaak geen zin in. Maar die negatieve emoties zijn geen systeemfout. Dat zijn de ingrediënten van emotionele groei. Het is het gist in het brooddeeg dat helpt bij het rijzen en groeien.
DE PARADOX VAN GOEDE BEDOELINGEN
Evolutionair zijn jongeren dus fantastisch geprogrammeerd om groot, sterk en emotioneel volwassenen te worden, en die programmatuur is niet echt fundamenteel veranderd in de laatste decennia. Wat wel radicaal is veranderd is de maatschappij, misschien wel veel sneller dan de evolutie van de mens kan bijhouden.
Als we de maatschappij opnieuw zouden mogen inrichten, from scratch, hoe zouden we hem dan pubervriendelijk maken. Wat zijn de ingrediënten van groei? En hoe gedraagt de bakker zich?
De ingrediënten van groei. In een optimale wereld, dan zouden we alle goede ontwikkelingen van de afgelopen decennia behouden. Dan zouden we grootste risico’s zeker weg-managen. Niet eerder stierven er zo weinig kinderen aan kinderziektes en ondervoeding, groeiden de meeste kinderen in rookvrije omgevingen op en was er consensus dat je kinderen niet moet slaan. Daar moeten we in blijven investeren want nog steeds zijn er kinderen die opgroeien in onveilige situaties. We zouden ook zeker kansen op persoonlijke groei toevoegen. Nooit eerder konden zo veel kinderen naar school, was de gezondheidzorg zo goed, en hadden alle kinderen toegang via internet tot oneindig veel informatie en kennis. Voor noodgevallen, zouden we ons beschermingssysteem op orde houden, zouden de meest kwetsbare jongeren eenvoudig toegang hebben tot jeugdzorg. Als we dus een ideale samenleving willen, dan blijven we investeren in het wegnemen van grote risico’s die het bestaan bedreigen, zoals kindermishandeling en armoede. En we zouden ongelooflijk veel kansen bieden. Dat zijn de ingrediënten van een goed brooddeeg met veel potentie tot groei.
Maar dan de bakker, de rol van volwassenen die het kind kneden tot een veerkrachtig mens: De opvoeders, docenten, en medemensen. Soms lijkt het alsof deze in hun goede bedoelingen zijn doorgeschoten. Alsof ze in onze 'hypernerveuze' maatschappij het kind meteen perfect in de vorm willen hebben en een harde aanpak schuwen. En het is ook vervelend, die kleverige fase waarin het deeg aan je handen blijft plakken en er nog niks van bakt. Maar we kunnen er niet omheen. Het gedoe hoort erbij.
Met drie onderzoekslijnen toon ik wat het risico is als we gedoe met puberende kinderen proberen te vermijden. Waarvan de conclusie is samen te vatten met: Wat fijn is, is niet altijd goed voor de ontwikkeling.
Sociale media en technologie. In mijn werk met Patti Valkenburg onderzochten we de invloed van technologie op welbevinden. We zagen dat jongeren sociale media fijn vonden. Dat vertelden ze ons in groeps-interviews en in vragenlijsten. Maar wat fijn is, is niet altijd goed voor je. We leerden dat jongeren zich verbonden voelden met vrienden door sommige platformen, maar ook hun zelfvertrouwen kwijtraakten, eenzaam en moe gescrold aan het einde van de dag [v] [vi]. We zagen ook dat wat juist positief werkt voor het ene kind, averechts uitpakt voor een ander [vii]. En dat met name depressieve jongeren veel last hadden van sociale media [viii]. Die dominante rol van technologie in het leven van opgroeiende jongeren vraagt om dappere beslissingen en regulering door de overheid, scholen en opvoeders. Harder bijsturen en begrenzen: Niet leuk, en roept zeker weerstand op, maar wel goed voor jongeren.
Opvoeding. In mijn werk naar opvoeding van jongeren, dat ik onder andere met Savannah Boele en Anne Bülow doe, ontdekten we dat goede intenties van ouders en goed resultaat niet altijd hand in hand gaan. We volgenden meer dan 500 jongeren met dagboekjes. Als jongeren in het dagelijkse leven meer angst hadden, dan sprongen hun ouders vaker bij [ix]. Heel adequaat zou je zeggen. Maar we zagen ook dat jongeren nadat ze onnodige hulp van hun ouders hadden gekregen zich juist onzekerder voelden na afloop. Een ouder die bijvoorbeeld het huiswerk even maakt helpt het gestreste kind op korte termijn, maar voedt mogelijk juist de angst op langere termijn. En terwijl steun van ouders op zich positief is, zagen we dat het voor sommige kinderen tegenovergesteld kon uitpakken[x]. Wel een voldoende voor dat werkstuk, maar je zelfvertrouwen en geloof in eigen kunnen kwijtgeraakt.
Goed gesprek. Ook kijk ik samen met collega’s naar de vraag of praten over emotionele problemen altijd helpend is. En we zien dat praten niet altijd helpt. Juist een gesprek dat alleen maar warm en ondersteunend is, kan ertoe leiden dat jongeren op langere termijn blijven hangen in hun problemen [xi]. Een echt goed gesprek, zo toont recent onderzoek, dat mag best een beetje schuren. Dat is een combinatie van warmte en empathie maar ook een portie eerlijke inzichten, feedback, en tips waarmee je zelf aan de slag moet [xii]. Juist als het wrijft en wringt, als iemand je gedachten uitdaagt, dan vindt er persoonlijke groei plaats.
Je kan nog zulke goede ingrediënten toevoegen aan je deeg, goede scholing en gezondheidszorg, en zorgzame ouders, maar als de bakker of dat nou de ouder, de docent of de jeugdzorgprofessional geen wrijving durft te veroorzaken, gaat het deeg niet rijzen.
Tezamen suggereert mijn wetenschappelijke werk dat volwassenen niet in de valkuil moeten stappen dat we het leven te comfortabel maken voor jongeren. Het kind is een kneedbaar mens, dat veerkrachtig is van aard, en soms meer gebaat is bij gedoe, bij een eerlijke mening, en bij niet worden geholpen, dan bij een gladgestreken leven met voor alles meteen een oplossing. Omdat korte termijn ongemak wegnemen een weg-der-vermijding opent en kansen op lange termijn groei afpakt.
Als we de maatschappij opnieuw zouden mogen inrichten, from scratch, dan zouden we dus jongeren niet behandelen als porselein, en met goede intenties de motor van groei afpakken. We zouden ze behandelen als brooddeeg. Met rijke ingrediënten waarvan we weten dat ze tot veerkracht leiden, zoals een gevoel van hoop, uitdagende kansen om nieuwe dingen te leren, rijke toegang tot cultuur, maar ook vrije tijd, stilte en natuur [xiii]. En met volwassenen die zich gedragen als bakker die niet bang is om het deeg stevig aan te pakken, afgewisseld met rust en rijstijd, waarbij volwassenen op hun handen zitten, en jongeren kunnen bijkomen en groeien.
PROFESSIONALS EN HET OPGROEIENDE KIND
Wat betekent dit veerkrachtige mensbeeld nu voor professionals die met jongeren werken, of dat nou is vanuit de GGZ, vanuit het onderwijs of vanuit de wetenschap?
Het betekent een radicale andere benadering van gevaar. Immers, als professionals staan we vaak in de starthouding. Wie zien een probleem, en schieten we in de actiestand: We verwijzen door volgens protocol, diagnosticeren, en zetten interventies in. Maar zijn we daarmee niet ook een bedreiging voor de natuurlijke veerkracht geworden. Verdringen we niet de kracht van natuurlijke hulpbronnen. Pakken we daarmee geen hoop af, en zelfvertrouwen?
Vooropgesteld, deze vraag is nog bijna niet wetenschappelijk onderzocht. Maar, ik heb wel een aantal hypotheses ontleend aan de wetenschappelijke literatuur.
Hebben professionals niet een te centrale rol toegeëigend in het leven van een jongere? Crèches voor de voorschoolse vaardigheden, huiswerkbegeleiding voor de ongeïnteresseerde puber, onderwijskundigen en BSO voor een gezonde en veilige vrijetijdsbesteding. Psychologen voor de stoeiende jongvolwassene. Onze jeugdzorg is toegankelijker dan ooit. We hebben drempels verlaagd en stigma’s doorbroken. Dat is een succes. Maar met zo veel goed getrainde professionals met excellente luistervaardigheden verdringen we niet per ongeluk de intieme cirkel van beste vrienden en familieleden naar de achterbank?
En wat te denken van de onvoorziene bijwerking van alle communicatie over mentale problemen die vanuit wetenschap, zorgorganisaties en overheid plaatsvindt. Ja, we zijn diep betrokken bij het welzijn van onze jeugd. Dat is goed, Maar er is ook concept-creep. We zijn de grens van wat we 'normaal' vinden steeds verder naar binnen gaan schuiven. Wat vroeger liefdesverdriet was, is nu een depressieve episode. Wat gezonde spanning was, is nu een angststoornis. Doen we daar niet allemaal een beetje aan mee, om onze financiering op orde te houden? Behandelen we niet te vaak negatieve emoties en depressieve gevoelens als defecten, terwijl ze voor veel jongeren groeipijn zijn van een systeem dat probeert te rijzen.
En door te medicaliseren, doen we iets gevaarlijks: we ontnemen de jongere zijn normale menselijke ervaring. We vertellen ze impliciet dat hun emoties niet bij het leven horen, maar bij een diagnose. En dat je alleen door een professional kan worden geholpen als je vastloopt. Als een professional een label plakt op een natuurlijk proces van vallen en opstaan, veranderen we een tijdelijke hobbel in een stukje identiteit. We maken van een groeiend kind een patiënt, met risico’s op stigmatiseren, verlies van zelfvertrouwen in het eigen herstelvermogen[xiv].
Wanneer we besluiten om in te grijpen in het leven van een jongere gaan we er impliciet van uit dat 'niets doen' het grootste risico is en dat hulp altijd helpt (of in ieder geval geen bijwerkingen heeft).
Maar elke interventie heeft bijwerkingen, en die laten zich vooraf niet voorspellen. Dat is een van de eigenaardige eigenschappen van een dynamisch systeem. Terwijl we deze bijwerkingen in de geneeskunde structureel onderzoeken en monitoren, vergeten we dat vaak als het gaat om psychologische ondersteuning[xv]. Natuurlijk, we hebben ook Randomized controlled trials waarin we meten of een behandeling werkt en de symptomen afnemen. Maar de standaard is niet verder te kijken dan het gemiddelde kind, en het is niet gangbaar te rapporteren hoeveel kinderen slechter werden. Dat soms op korte termijn het probleem is opgelost, maar er op lange termijn schade ontstaat, vraagt dat we jongeren langdurig opvolgen over levensfases heen. Dat gebeurt zelden. En omdat een interventie in het ene domein van ontwikkeling positief uitpakt, bijwerkingen kan hebben in een ander domein betekent dat we niet alleen moeten meten of symptomen afnemen, maar ook of de identiteit of zelfvertrouwen verandert, relaties met vrienden en ouders wijzigen, en of jongeren hoop verliezen, of een van de andere bronnen van veerkracht.
Misschien moeten we kinderen gaan beschermen, tegen onze beschermingsdrift. Gaan monitoren of we niet te veel monitoren. En niet alleen onderzoeken door te meten wat werkt, maar ook meten wat we niet willen weten.
EN PREVENTIE DAN?
Dan nog een kritische gedachte over het buzz-woord: Preventie. Het magische woord dat alles zal gaan oplossen. Onze haarlemmer olie. Het wondermiddel. Dat wachtlijsten gaat verkorten, en de mentale gezondheidscrisis duurzaam en rechtvaardig zal tackelen, als we beleidsrapporten mogen geloven. Ik wil het graag geloven. Sterker nog ik doe graag mee.
Maar dan moet er naar mijn idee wel iets veranderen aan onze aanpak.
Hoe preventie nu wordt ingezet, met een focus op vroeg-herkenning en brede algemene interventies, heeft ertoe geleid dat we sneller, efficiënter en breder zijn gaan interveniëren, professionals in een centrale rol. Los van het feit dat dat bijwerkingen kan hebben (die we nauwelijks meten en dus niet weten), houdt het ook onze aandacht gevestigd op het breed uitgooien van het vangnet, en het snel behandelen van symptomen.
En met deze focus zien we niet dat de basis afbrokkelt, dat er wordt bezuinigd op wat goed is voor jongeren. Dat sport en cultuur onder druk staan, dat docenten te veel protocollen en werkdruk hebben om rustig te luisteren naar hun kinderen, en dat sociale media ongeveer een volledige werkweek voor jongere zijn (naast school). Dan zijn we niet bezig met het echte probleem oplossen of giftige elementen uit de maatschappij te halen, maar met steeds snellere en effectievere symptoombestrijding.
Zelfs als je preventie positief zou inrichten door zoveel mogelijk ingrediënten voor groei toe te voegen aan het leven van jongeren, dan nog is de vraag: Wie moet het gaan doen? De GGZ is ingericht om snel, kundig en professioneel te handelen, maar krijgt geen financiële vergoeding om los te laten en niets te doen. Het lijkt me dan ook geen realistisch benadering om de GGZ te vragen zich op de promotie van veerkracht te richten. Ik denk dat de oplossing van buiten zal moeten komen.
We kunnen lering trekken uit hoe we als maatschappij jeugdcriminaliteit hebben bestreden in de afgelopen decennia, en wie welke rol pakte in deze transformatie. In de jaren negentig was jeugdcriminaliteit nog het grootste vraagstuk van die tijd. Wetenschappers toonden overtuigend aan dat veruit de meeste jeugdcriminaliteit ontwikkel-ruis is, dat vanzelf overgaat, en dat een klein groepje een serieus probleem heeft dat al vroeg ontstaat en tot in de volwassenheid kan doorgroeien. Bij dit kleine groepje is het belangrijk zo vroeg mogelijk in te grijpen, omdat zij anders ernstige problemen ontwikkelen. Maar te snel, te vroeg en te hard ingrijpen als problemen mild zijn met justitiële interventies deed meer kwaad dan goed op lange termijn voor de grote meerderheid. In plaats van justitie een bredere taak te geven, werd HALT opgericht: Het alternatief. Normaal ontwikkel-gedoe en vandalisme werden opgelost in de eigen omgeving van het kind, met een excuusbrief voor de winkelier, en een serieus gesprek met ouders.
Om de toename in emotionele problemen bij jongeren te beteugelen hebben we ook zo’n alternatief nodig. Partijen die werken vanuit een model van de-medicalisering en normalisering, die oplossingen zoeken in de eigen omgeving van het kind, samen met scholen, wijken en ouders. Ik noem hier het mooie werk van MIND Us en de Kindertelefoon, die In je bol oprichtten, een nationaal initiatief van vele partijen die psycho-educatie bieden, een luisteren oor, en jongeren leert dat de meeste emoties heel erg normaal zijn. Of de Checkers, een training die elke volwassene kan doen, om zo er te zijn voor jongeren – gewoon te luisteren, en niet meteen in de kramp te schieten om hulp te bieden als daar niet om wordt gevraagd.
Iedereen een luisterend oor, goede informatie en geruststelling. Zodat de zorg zich kan richten op mensen die kwetsbaar zijn, en hun juist sneller en beter kan behandelen.
SLOT
Elke maatschappij krijgt de psychologische problemen die bij de tijdgeest passen. In deze tijd waar goed nooit goed genoeg is, problemen moeten worden opgelost, en alles en iedereen maakbaar lijkt, is depressie en angst het logische resultaat.
Onze jongeren zijn niet stuk. Ze zijn van nature veerkrachtig maar groeien op in een gestreste maatschappij. Bijna alle opvoeders, docenten en jeugdzorg professionals hebben goede bedoelingen, maar lijken het vertrouwen verloren dat het wel goed zal komen, dat tijd alle wonden heelt, en dat jongeren tegen stootjes kunnen, klein en groot. Of het nou gaat om ouders die het huiswerk maken, docenten die doorverwijzen naar de GGZ, of psychologen die therapieën inzetten, we grijpen snel en stevig in voordat het kind tijd heeft gehad om zelf te leren en van nature te herstellen.
De biologie leert ons dat de mens is niet kwetsbaar of maakbaar is, maar kneedbaar. En dat mensbeeld vraagt van een zorgprofessional dat deze zich opstelt als meesterbakker, in plaats van als reparateur. Een meesterbakker die durft te vertrouwen dat de natuurlijke omgeving een bron van veerkracht is. Die niet in paniek raakt als het deeg plakt, maar durft te duwen en te trekken, en weerstand biedt, omdat dat dat precies is wat de gluten sterk maakt en het kind veerkrachtig.
Dus laten we niet repareren wat niet kapot is. Sterker nog, mijn wetenschappelijke werk toont dat het juist kan leiden tot angst en afhankelijkheid in plaats van zelfvertrouwen en groei. Misschien is het willen oplossen van problemen, en het willen vermijden van risico het grootste risico geworden van onze tijd.
Bronnen
[i] Uit balans - IBO mentale gezondheid en ggz | Publicatie | Rijksoverheid.nl
[ii] Angst- of depressiegevoelens | RIVM
[iii] Haslam, N. (2016). Concept creep: Psychology's expanding concepts of harm and pathology. Psychological inquiry, 27(1), 1-17.
[iv] Op de rem! Voorbij de hypernerveuze samenleving | Rapport | Rijksoverheid.nl
[v] Siebers, T., Beyens, I., Pouwels, J. L., & Valkenburg, P. M. (2022). Social media and distraction: An experience sampling study among adolescents. Media Psychology, 25(3), 343-366.
[vi] Valkenburg, P., Beyens, I., Pouwels, J. L., van Driel, I. I., & Keijsers, L. (2021). Social media use and adolescents’ self-esteem: Heading for a person-specific media effects paradigm. Journal of communication, 71(1), 56-78.
[vii] Beyens, I., Pouwels, J. L., van Driel, I. I., Keijsers, L., & Valkenburg, P. M. (2020). The effect of social media on well-being differs from adolescent to adolescent. Scientific reports, 10(1), 10763.
[viii] Janssen, L. H., Valkenburg, P. M., Keijsers, L., & Beyens, I. (2025). A harsher reality for adolescents with depression on social media. Scientific reports, 15(1), 10947.
[ix] Boele, S., Bülow, A., van der Kaap-Deeder, J., Rote, W., & Keijsers, L. (in press). When Parents Step In: Adolescents’ Negative Emotions Precede–Not Follow–Everyday Moments of Overprotection.
[x] Bülow, A., van Roekel, E., Boele, S., Denissen, J. J., & Keijsers, L. (2022). Parent–adolescent interaction quality and adolescent affect—An experience sampling study on effect heterogeneity. Child Development, 93(3), e315-e331.
[xi] Rose, A. J. (2021). The costs and benefits of co-rumination. Child Development Perspectives, 15(3), 176-181.
[xii] Zee, K. S., Bolger, N., & Higgins, E. T. (2020). Regulatory effectiveness of social support. Journal of personality and social psychology, 119(6), 1316.
[xiii] Masten, A. S., Lucke, C. M., Nelson, K. M., & Stallworthy, I. C. (2021). Resilience in development and psychopathology: Multisystem perspectives. Annual review of clinical psychology, 17(1), 521-549.
[xiv] Veldmeijer, L., Terlouw, G., Boonstra, N., & van Os, J. (2025). Opening doors or building cages? The adverse consequences of psychiatric diagnostic labels. Current Opinion in Psychology, 65, 102076.
[xv] O’Donohue, W. (2025). “At Least Do No Harm” Cannot be Satisfied When Failing to Measure for Possible Harm. Current Opinion in Psychology, 102221.